Header_website DEF.gif

21 January 2010

FSR schrijft brief aan Eerste Kamer

Op 19 januari 2010 hebben wij als de Studentenraad FdR samen met de CSR namens alle UvA-studenten een brief geschreven aan de Eerste Kamer der Staten-Generaal. Dit vanwege de aanstaande behandeling (26 januari) van wetsvoorstel ‘Versterking Besturing’ waarbij de overheidsfinanciering van de tweede studie en master komt te vervallen. We zijn van mening dat met dit wetsvoorstel de belangen van ambitieuze studenten worden geschaad en roepen de Eerste Kamer daarom op het voorstel te verwerpen.

Aan de Hoogedelgestrenge leden van de Eerste Kamer der Staten-Generaal,
Op 26 januari zal het wetsvoorstel WHW (wetsvoorstel ‘Versterking besturing’, EK 31821) in uw
Kamer worden behandeld. Het wetsvoorstel bevat diverse wijzigingen van de Wet op het hoger
onderwijs en wetenschappelijk onderzoek.
Het voorstel bevat, onder meer, een regeling waarmee de financiering van overheidswege van de
tweede bachelor of master komt te vervallen. Met deze brief doet de Facultaire Studentenraad van de
Faculteit der Rechtsgeleerdheid van de Universiteit van Amsterdam een oproep aan u allen om het
wetsvoorstel inclusief bovengenoemde regeling te verwerpen vanwege haar onrechtvaardige en
onverstandige aard.


Welk probleem wordt eigenlijk opgelost?

Volgens de regering moet iedereen één opleiding tegen betaling van het wettelijk vastgestelde
collegegeld kunnen afronden. De prijs voor de tweede opleiding wordt bepaald door de instelling en zal
dus hoger zijn; de prijs van het instellingscollegegeld.
De meeste bacheloropleidingen in Nederland duren drie jaar. Volgens de wet dient een student in die
drie jaar 42 uur per week per opleiding te studeren (overigens meer tijd per week dan wordt vereist van
een fulltime werknemer). Wanneer een student twee opleidingen tegelijkertijd zou willen volgen, is het
logischerwijs niet anders mogelijk dan dat de student hier twee maal drie jaar over doet; tenzij de
student in staat is om tweemaal 42 uur per week te studeren. Indien een student twee
bacheloropleidingen na elkaar volgt, duurt dit ook zes jaar.

Met de voorgestelde maatregel bereikt de Minister dus het volgende: de overheid zal meebetalen aan
een ambitieuze student die, op grond van de vereisten vrijwel onmogelijk, twee studies tegelijkertijd
volgt maar zij zal evenveel betalen voor een luie student die zes jaar of langer over de eerste opleiding
doet. De overheid trekt de portemonnee echter niet voor de ambitieuze student die ervoor kiest zijn
twee bacheloropleidingen opeenvolgend af te sluiten. Kortom: onnodig lang studeren wordt
gefinancierd; gedurende zes jaar lang twee studies tegelijkertijd volgen wordt vergoed; maar het volgen
van twee studies na elkaar binnen eenzelfde periode van zes jaar wordt niet meer vergoed. De laatste
groep bestaat uit minder dan 10% van alle studenten maar is een ambitieuze groep die onze overheid
zou moeten koesteren.
De Minister gaat voorbij aan de onmogelijkheid van combinaties van studies. Een voorbeeld: de
geneeskundestudent die een traject Gezondheidsrecht wil volgen loopt tegen het probleem aan dat het
fysiek onmogelijk is om tegelijkertijd zowel in het ziekenhuis aanwezig te zijn als in de wetboeken te
duiken. Ook is er het probleem van de – door de overheid zo gestimuleerde – Joint Degrees: een
student die zich zowel in het internationaal recht wil specialiseren middels een master kan niet
simultaan zijn (joint) master International Criminal Law volgen, daar de tweede master (deels) in het
buitenland wordt aangeboden. Studenten die volgens de Plasterk-optie simultaan moeten studeren
kúnnen dit simpelweg vaak niet.
Hier komt nog eens bij dat de overheidsuitgaven voor het hoger onderwijs volgens de regering door de
maatregel niet noemenswaardig zullen wijzigen. Nu rijst de vraag waar deze ontmoediging van
ambitieuze studenten dan wel toe dient? In de memorie van antwoord wordt geen helder antwoord op
deze vraag geformuleerd. De Minister blijft refereren aan de noodzakelijkheid van een duidelijke
afbakening van de financiële verantwoordelijkheid van de overheid. Duidelijkheid is goed, dat
onderkent iedere rechtenstudent – we kennen allemaal de problemen van polyinterpretabele
wetsbepalingen – maar dan wel duidelijkheid op basis van een goede onderbouwing van de
doelmatigheid van de maatregel.
Een slechte ruil!
De Minister is ervan overtuigd dat werkgevers bereid zullen zijn om de tweede opleiding van de
ambitieuze studenten te betalen. De overheid is dan vervolgens in staat om met het bespaarde geld
dertigplussers een eerste opleiding tegen betaling van het wettelijk vastgestelde collegegeld aan te
bieden, daar dertigplussers op dit moment geen aanspraak maken op het lage, wettelijke collegegeld.
De Minister ruilt dus de tweede studie van jonge studenten uit voor een eerste opleiding voor
dertigplussers. Dit lijkt ons geen goede ruil, vanwege de volgende redenen:
Ten eerste, zijn juist de jaren onmiddellijk na het voortgezet onderwijs heel geschikt voor een student
om te leren en om zich te ontplooien. Jonge studenten hebben nog relatief weinig verplichtingen en
moeten de tijd en middelen worden geboden om zich zoveel mogelijk te ontwikkelen op academisch en
persoonlijk gebied. De Minister moet in deze ontwikkeling investeren en zoveel mogelijk uit de situatie
proberen te halen. Het uitruilen van deze investering tegen het vergemakkelijken van het studeren voor
dertigplussers, met een vast inkomen en vaste verplichtingen, is een slechte beslissing.
Ten tweede, moet een student zich kunnen vergissen. Een student die vanaf het voortgezet onderwijs
een opleiding begint, moet nog wel in staat zijn om een nieuwe studiekeuze te maken indien hij
erachter komt dat de aanvankelijke studiekeuze een onjuiste is geweest. Of moet een in het recht
afgestudeerde student voor de rest van zijn leven bijvoorbeeld als advocaat werkzaam zijn, wanneer hij
er op zijn tweeëntwintigste achter komt dat het zijn roeping is om bioloog te worden? Zijn toekomstig
werkgever zal zijn opleiding biologie in ieder geval niet financieren!
Ten derde, stellen we ons de vraag over welke werkgever de Minister het heeft, als hij stelt dat de
werkgever bereid zal zijn de tweede opleiding te financieren. De gemiddelde, net afgestudeerde student
heeft überhaupt nog geen vaste baan bij een werkgever. Het is een realistischer beeld dat een
werkgever wel bereid is te investeren in de bijscholing van een vaste, zijn vertrouwen genietende,
ervaren werknemer. De Minister maakt niet duidelijk hoeveel dertigplussers aan een studie beginnen,
noch laat hij zien welke demografische kenmerken deze groep heeft. Het lijkt veel waarschijnlijker dat
juist de dertigplussers een werkgever hebben die de studie kan bekostigen. De Minister toont onvoldoende aan waarom dit een goede ruil lijkt te zijn.

De jonge, ambitieuze student wordt, door het voorstel van de Minister, zijn ontplooiing ontnomen.
Kortom: de Minister stelt een slechte ruil voor.
Bestuursakkoord
De Minister stelt in de memorie van antwoord dat hij niet verwacht dat met de voorgestelde maatregel
minder studenten een tweede opleiding zullen volgen. Hij motiveert deze stelling in het geheel niet. Op
het commentaar van uw leden op de betreffende maatregel, wijst de Minister keer op keer op het
Bestuursakkoord , een niet-bindende afspraak tussen de VSNU, HBO-raad en de
studentenbelangenorganisaties. In dit akkoord is afgesproken dat de onderwijsinstellingen geen
instellingscollegegeld voor een tweede opleiding zullen vragen, zolang met de tweede opleiding wordt
begonnen gedurende de eerste opleiding. 10 December jongstleden werd het volgende persbericht
uitgebracht:
“Een tweede studie wordt niet duurder. Tenminste, als studenten zich daarvoor aanmelden tijdens een
eerste studie. Dat hebben studentenorganisaties afgesproken met universiteiten en hogescholen.
Vanmiddag heeft minister Ronald Plasterk gezegd dat hij alle betrokkenen ook echt aan die afspraken
gaat houden.”
Het is bevreemdend dat de Minister zijn eigen maatregelen niet inhoudelijk kan onderbouwen, maar,
nota bene, moet schermen met een niet-bindende afspraak tussen onderwijsinstellingen en
belangenorganisaties. Dit leidt ertoe dat de Minister enerzijds zegt: ‘één studie is genoeg’ en anderzijds
verklaart dat studenten via het Bestuursakkoord alsnog voor wettelijk collegegeld een tweede studie
kunnen doen. Een duidelijke contradictio in terminis; is de Minister dan zelf ook van mening dat zijn
wetsvoorstel onwenselijk is?
Kenniseconomie?
Terecht wordt door uw Kamer de kritische vraag gesteld waarom de overheid er niet voor kiest om de
ambitieuze student juist te motiveren om meer dan één opleiding te volgen. De kenniseconomie staat
bij het kabinet immers hoog in het vaandel en de overheid stelt hoge eisen aan de kwaliteit van het
onderwijs en de brede universitaire ontwikkeling van studenten. De minister lijkt echter niet van
mening dat de overheid zelf in het hoger onderwijs moet investeren.
Ambitieuze studenten moeten na invoering van het wetsvoorstel zelf diep in de buidel tasten voor een
tweede opleiding. Het alternatief is twee opleidingen tegelijkertijd te volgen; dat zou alleen zijn
weggelegd voor studenten die het zich kunnen permitteren geen bijbaantjes te hebben. Kortom: voor
studenten die kunnen putten uit welgestelde ouders.
Het wetsvoorstel betekent voor de meeste studenten een forse verschraling van hun academisch
perspectief. Collegegelden van duizenden euro’s zijn niet op te brengen, zeker niet naast het (na vier
jaar) wegvallen van de studiefinanciering. Tweede opleidingen, zelfs tweede mastertrajecten, worden
voor de meeste studenten volslagen onbereikbaar.
De Minister stelt in zijn memorie van antwoord, dat het kabinet in het wetsvoorstel “Ruim baan voor
talent” voldoende alternatieve maatregelen treft om getalenteerde studenten goed onderwijs te kunnen
bieden. Het kabinet is, blijkens dit wetsvoorstel, voorstander van de zogenaamde Colleges. Dit zijn
universiteiten die in tegenstelling tot de reguliere universiteiten, wel in staat zijn om kleinschalig,
kwalitatief hoog onderwijs aan te bieden. Deze maatregelen vormen echter geen compensatie voor de
nadelige wijzigingen van ‘Versterking besturing’. De financiering van deze colleges komt namelijk niet vanuit de overheid maar ook uit verhoging van collegegelden.
Voor zover de Minister betoogt dat de verhoging van collegegeld geen drempel vormt bij de stap om te
gaan studeren, miskent hij dat verscheidene onderzoekers deze drempel wel degelijk hebben
aangetoond. Illustratief hiervoor, betoogt Robert Berdahl, aangehaald in rapporten van Commisie
Veerman:
“A decline of public state support has resulted in higher tuition fees. This has affected the attendance;
there is now a smaller percentage of undergraduates. This is a real concern in the USA.”
Het lijkt erop dat het credo ‘Hoger onderwijs voor Velen’ onder Minister Plasterk vervalt tot ‘Hoger
onderwijs voor velen, goed onderwijs voor Welbedeelden’. Dit wordt de teloorgang van de door ons zo voorgestane kenniseconomie.


Oproep aan de Eerste Kamerleden

Wij spreken namens de studenten van de Universiteit van Amsterdam, als we uw hooggeachte Kamer
oproepen om het wetsvoorstel van de Minister te verwerpen op grond van het bovengenoemde, kort
samengevat:

• Tweede bacheloropleidingen en mastertrajecten worden voor de meeste studenten
onbereikbaar. Het wetsvoorstel dupeert jonge studenten en betekent een forse verschraling van
het onderwijs.
• Het simultaan studeren van twee opleidingen is vaak fysiek en onderwijsmatig onmogelijk,
waardoor studenten de kans op een van overheidswege gefinancierde tweede specialisatie
mislopen.
• De ‘ruil’ die de Minister voorstaat door het financieren van studies van dertigplussers ten koste
van de financiering van overheidswege van jonge ambitieuze studenten is onwenselijk.
• De gevolgen die de Minister zal bewerkstelligen leiden niet tot noemenswaardige
bezuinigingen. Het is volslagen onduidelijk welk doel er met de maatregel wordt gediend.
• Het onmiddellijke gevolg van de maatregel is dat het doorstuderen slechts voor welbedeelde
studenten bereikbaar wordt.
• Onze overheid, die zich al decennialang richt op een kenniseconomie, holt met de maatregel de
mogelijkheden voor ambitieuze studenten uit.
Kortom, uit de Memorie van Antwoord blijkt dat de minister niet in staat is geweest de
noodzakelijkheid, de wenselijkheid en de doelmatigheid van zijn voorgestelde plannen te motiveren.
Een verwerping van het wetsvoorstel door uw Kamer zal een signaal zijn aan het kabinet om het Hoger
Onderwijs voor iedereen toegankelijk te houden en om voor de ambitieuze student de mogelijkheid tot
ontplooiing te blijven bieden. De tweede studie moet bereikbaar blijven.
Met de gevoelens van de meeste hoogachting,

Namens de studenten van de Universiteit van Amsterdam,

De leden van de studentenraad van de UvA Faculteit der Rechtsgeleerdheid,
Tim Vis (masterstudent strafrecht, voorgenomen master International Criminal Law)
Karima Belarbi (masterstudent strafrecht, voorgenomen master International Criminal Law
Anna van Gijssel (masterstudent International and European Law)
Max ten Velden (bachelor Rechtsgeleerdheid, voormalig bachelor Geneeskunde)
Alex van Kernebeek (honoursbachelor Rechtsgeleerdheid, voorgenomen master Strafrecht)
Sara Hlobil (bachelors Rechtsgeleerdheid en Engels)
Fathkinne N’Diaye (HBO-bachelor Management, Economie en Recht, bachelor Rechtsgeleerdheid)
Asja Hegeman (bachelor Rechtsgeleerdheid, voorgenomen master Internationaal Publiekrecht)

De voorzitter van de Centrale Studentenraad,

Jennifer Schijf (bachelors Onderwijskunde en Sociologie)