Om het studierendement aan de UvA te verhogen is het College van
Bestuur van plan een richtlijn in de stellen waarin de gehele
universiteit in de januarimaand vakken van vier weken zal moeten
aanbieden aan de studenten. Dit voorstel is voor de Faculteit
Geesteswetenschappen onhaalbaar en irreeël.
De Geesteswetenschappen onderscheiden zich in hun didactische methodes
fundamenteel van de andere wetenschappen. De didactische methodes die
de Faculteit Geesteswetenschappen handhaaft, vragen intrinsiek om
langdurige collegereeksen. Dit vanwege het belang van het debat in de
geesteswetenschappen en vanwege de belangrijke vervlechting van vorm
en inhoud.
Betreffende het belang van het wetenschappelijke debat benadrukte
Thomas Kuhn in zijn historische benadering van wetenschap al dat de
sociale wetenschappen en geesteswetenschappen zich hierin wezenlijk
onderscheiden van de natuurwetenschappen, omdat de natuurwetenschappen
leren aan de hand van de handboeken. Deze handboeken voorzien de
student volgens hem van een ‘disciplinary matrix’. Dit is een set van
normen volgens welke de wetenschap beoefend moet worden. Een normatief
handboek zoals deze ontbreekt echter bij de geesteswetenschappen.
Op de geschiedenisopleiding wordt het citaat van historicus Geyl ‘de
geschiedenis is als een debat zonder eind’ vaak herhaald. Dit citaat
raakt de kern van de geesteswetenschappen goed. De geesteswetenschap
is een debat. De kunst is dat de student op de hoogte is van de state
of the art in het huidige academische debat. Dit betekent voor de
student dat hij alle standpunten stuk voor stuk moet behandelen en dat
het debat hem eigen wordt. De metafoor van het verwerven van kennis,
zoals een koe zijn eten verteert, is hier misschien goed op zijn
plaats. Dat betekent dus langdurig en vaak herhalen.
Het principle of charity is hier een belangrijk principe. Dit houdt in
dat iedere positie serieus genomen moet worden, en worden benaderd
alsof de auteur het gelijk aan haar zijde heeft. Wanneer een student
dit wil toepassen op de verschillende posities moeten al deze teksten
serieus bestudeerd te worden, en kan een heel debat niet in vier weken
er doorheen worden gestuwd. In dat geval kan iedere unieke positie
niet serieus worden genomen. Een volledig academisch debat kan niet in
vier weken worden behandeld.
Hoewel de faculteit geesteswetenschappen niet alleen bestaat uit de
opleiding geschiedenis, zijn alle geesteswetenschappen wel bij
uitstek ‘geschiedkundige’ studies. De debatten in de geesteswetenschap
werken door de geschiedenis heen. Er zijn buiten onze faculteit geen
studies waar men teksten leest van meer dan 300 jaar oud. Om een paar
voorbeelden te noemen: het nibelungenlied (13e eeuw) bij de opleiding
Duits, de vrijheid van een christen van Luther (1520) bij
Religiestudies, Plato’s symposium (385 v. Chr.) bij Wijsbegeerte en
Klassieke Talen hoeft uiteraard geen uitleg. Al deze voorbeelden
bewijzen dat de geesteswetenschappen tijd nodig hebben. De historische
werking van debatten vragen om serieus genomen te worden.
Voor de laatste vier weken in het semester kan natuurlijk altijd wel
iets creatiefs bedacht worden. Dit kan bijvoorbeeld met
academic english, academische vaardigheden, wetenschapsfilosofie, of
een literatuuronderzoek. Dit is echter de omgekeerde wereld. In deze
situatie komt er dus eerst een systeem met vakken van vier weken, en
daarna kan de faculteit ‘creatief’ iets bedenken om die vier weken in
te vullen.
De geesteswetenschappen mogen zich gelukkig prijzen dat zij (nog) niet
hoeven te leven met een kunstmatig onderscheid tussen vorm en inhoud.
Het bestaan van de vakken ‘academische vaardigheden’ zijn de enige
nageboorten hiervan op onze faculteit. De geesteswetenschappers zijn
de enige studies, die in hun didactische methodes, ervan overtuigd
zijn dat vorm en inhoud niet te scheiden zijn maar dat de twee
onlosmakelijk met elkaar verbonden zijn, en in één proces moeten
worden aangeleerd.
Dit blijkt bijvoorbeeld ook uit het feit dat het de enige faculteit is
waar wetenschapsfilosofie serieus wordt genomen, omdat hier het besef
(gelukkig) nog steeds leeft dat een coherente omschrijving van het
onderzoeksobject en een explicitering van de methode wel degelijk
bepalend is voor het resultaat van het onderzoek. Andere faculteiten
menen dat je wetenschapsfilosofie wel even in zo’n belachelijke blokje
van vier weken kan persen. Daarentegen, wie heeft wetenschapsfilosofie
ook nodig als je werkt met een disciplinary matrix?
Plannen om allerlei analytische vakjes aan te bieden in de restweekjes
van het semester. Daar kan de geesteswetenschapper niet aan.
Academische vaardigheden heeft het al bewezen. De geesteswetenschapper
kan niet werken zonder onderzoeksobject, want anderen ook mogen
denken. Hoe kan iemand academic English leren zonder daadwerkelijk
academische producten af te leveren?
De Engelsen hebben het misschien ergens wel begrepen. Zij noemen de
geesteswetenschappen geen wetenschap, maar een art; een kunst. Los van
het waarheidsgehalte van dit predicaat is het metaforisch misschien
goed te gebruiken, wanneer we de geesteswetenschappen met kunsten
vergelijken. Laten we voor het gemak schilderen zeggen. Een schilder
leert niet te schilderen door een cursusje ‘hoe gebruik ik de
kwast’ ‘welke kleuren passen goed bij elkaar’ ‘wat zijn goede
schilderbare objecten’ &c. Nee, de schilder schildert! Daarbij leert
hij de kwast te gebruiken, de kleuren te gebruiken en leert hij
bovenal te kijken naar zijn object. Dit alles in één extatische
symbiose van al deze elementen.
Het doorvoeren van een richtlijn waarin de geesteswetenschappen
vakken van vier weken moet aanbieden, heeft daarom vergaande
inhoudelijke consequenties voor de studies aan onze faculteit. De
bijna taxonomische discipline van verzamelen van standpunten kan op
geen enkele manier in vier weken worden uitgeoefend. Daarom is het
besluit van het CvB onhaalbaar voor de FGw en je zou zeggen dat iemand
die onderzoek doet naar de Armeense, Babylonische of Egyptische
bronnen waarop de teksten uit het Oude Testament teruggaan, ook beter
zou moeten weten.



