Donderdag 4 februari heeft de eerste Lunch met de FSR plaatsgevonden. Op deze lunch zijn naast enkele lekkere broodjes, zijn ook de onderwerpen Contacturen en Tutoraat aangesneden. Lees hier het uitgebreide verslag.
Het eerste onderwerp sloeg terug op het in het beleidsplan FNWI geuite voornemen om contacturen in het eerste jaar terug te brengen naar 16 uur. Dit voornemen werd door veel mensen niet erg positief beoordeeld. Men was van mening dat studenten die net van de middelbare school af komen in hun eerste studiejaar een goede studiementaliteit moeten worden aangeleerd. Wanneer dit gebeurt dan zal deze mentaliteit in de latere jaren wel worden aangehouden. Als het totale aantal contacturen dus naar beneden zou worden gebracht, dan zou dit beter in de latere jaren kunnen gebeuren.
Een erg verrassend punt waar veel mensen het over eens waren, was dat het moment van aanbod van contacturen belangrijker kan zijn dan de kwantiteit. Wanneer er nuttige (werk)colleges in het begin van de dag gepland staan (10:00 – 12:00 / 11:00-13:00) dan zorgt dit dat je als student wordt gedwongen om naar de universiteit te komen. De meeste mensen die dit doen gaan dan de rest van de dag op de universiteit voor zichzelf werken. Een dergelijke “kick-start” van de dag werd door veel studenten als erg prettig en nuttig ervaren!
Een ander interessant punt dat op kwam was dat de meeste studenten vaak meer waarde hechtten aan werkcolleges dan aan hoorcolleges. Hoorcolleges vallen of staan met de manier van aanbod, terwijl werkcolleges bijna altijd wel nuttig zijn omdat ze interactief zijn en een goede moglijkheid bieden om gerichte vragen te stellen.
Het tweede onderwerp van de lunch was ‘Tutoraat’. Bij beta-gamma en de levenswetenschappen bestaat tegenwoordig een vrij uitgebreide vorm van tutoraat, waarbij eerstejaars studenten wekelijks met een afgestudeerde tutor bijeen komen en waar ‘wetenschappelijke’ opdrachten gedaan worden om de studenten al in het eerste jaar zoveel mogelijk tot academicus te vormen. Men wil een tutoraat in een dergelijke vorm nu op de hele faculteit invoeren. Wat vonden de aanwezige studenten hiervan?
Om voor iedereen tutoraat te organiseren dat gegeven wordt door afgestudeerden zou volgens de aanwezige studenten misschien al snel te duur kunnen worden. “Zouden er geen bachelor-/masterstudenten bestaan die het vak, eventueel voor EC’s, zouden kunnen geven?” vroeg men zich hardop af. Zo’n jongere student staat wellicht ook dichter op de eerstejaars en kan de ‘sociale functie’ van het tutoraat, die volgens de aanwezigen van groot belang kan zijn voor sommige studenten, beter uitvoeren.
Daar staat echter tegenover dat om academische vaardigheden goed te kunnen geven bachelorstudenten eigenlijk onmogelijk de didactische, laat staan academische vaardigheden kunnen hebben. Ook hebben deze studenten het al druk en moeten ze in de praktijk veel meer doen dan waar ze officieel voor aangesteld zijn. Een oplossing zou hiervoor kunnen zijn om het tutoraat te splitsen in een deel dat door een bachelorstudent wordt gegeven en zich vooral richt op hoe je moet studeren, sociaal ontwikkelen, etc., en een echt ‘academische vaardigheden vak’ dat door bijvoorbeeld een PhD-student gegeven kan worden. Volgens sommigen kan die eerste versie van het tutoraat met ‘sociale spelletjes’ wel wat té schools zou zijn. Dat wordt in ieder geval bij levenswetenschappen wel eens zo ervaren.
Het is belangrijk dat het tutoraat wordt afgestemd op de ‘reguliere vakken’ en daar zelfs een ondersteunende functie voor kan hebben. Zo kun je bij informatica nu bij het tutoraat verslagen voor andere vakken inleveren. Ook bij levenswetenschappen wordt er met redelijk succes geprobeerd een connectie te maken tussen het tutoraat en inhoudsvakken. Bij wiskunde lever je echter nauwelijks papers in, vrijwel alleen opdrachten. Het is voor wiskundigen vast een zure, moeilijke appel om ‘alle’ academische vaardigheden te doen. Dit zal echter juist voor hen zeker ook heel belangrijk zijn. Bij andere studies zal een veel groter deel van de academische vaardigheden in ‘echte’ vakken geleerd kunnen worden.
Over het eerste jaar wordt gezegd dat, zeker bij levenswetenschappen veel studenten geen idee hebben waar ze aan begonnen zijn en het soms niet eens zo nodig willen. Ook hebben veel studenten moeite met de overgang van middelbare school naar zelfstandig studeren in een grote stad. De vraag is wat het rol van het tutoraat in deze problematiek is. Er wordt gesuggereerd dat zowel een tutor die zelf nog bachelor/master is hierbij kan helpen vanwege z’n ervaringen als student, maar dat iemand die verder is misschien wat meer kan vertellen waarom het vakgebied wat iemand ingaat nou zo fantastisch is en wat je als afgestudeerde dan allemaal kan worden.
Op dit moment wordt er bij verschillende studies volgens de aanwezigen toch redelijk de breedte ingegaan en er wordt nagedacht over de wetenschap en het eigen vakgebied als geheel. Men zou wellicht wel behoefte aan een makkelijke mogelijkheid om hier later in het curriculum, bijvoorbeeld het 2e jaar, verder op in te gaan. Zo’n breed thema biedt dan ook een uitstekend vehikel om verder te leren presenteren, te discussiëren, samen theorie te vormen, presenteren, etc.



